Home

home

Introductie
Geschiedenis
Thema's
Onderwerpen
Artikelen
Bahá'í studies
Vraagbaak
Bestuursstelsel
Bahá'í kalender

Bahá'í-geloof links

Bahá'í video's
Bahá'í Literatuur

Bahá'í-geloof blogs

The Bahá'í Covenant
Untitled 1

Download Baha'i-geloof Mobiel Android App  Android App
 iPhone?

 m.bahaitwente.nl

 

 

 

home > baha'i-geloof > geschiedenis

Geschiedenis

Het Bahá'í-geloof is op gelijksoortige wijze uit de Islám ontstaan als indertijd het Christendom uit de Joodse godsdienst.
Vele Joodse profeten kregen gezichten, dromen en visioenen van de komst van de Messias (Jezus Christus) en Diens voorloper (Johannes de Doper). De laatste van deze profeten was Zacharias.

Na de dood van Mohammed ontstond er over Diens opvolging zoveel onenigheid onder de moslims, dat er een belangrijke scheuring in de toenmalige islamitische wereld plaatsvond: de Soennieten die de lijn van de Kaliefen volgden, en de Shi'ieten die de lijn van de nakomelingen van Mohammed, de 12 Imáms, volgden.

Rond 1790 kreeg Shaykh Ahmad ibn Zaynu'd-Dín al-Ahsá'í (1753-1826), stichter van de Shaykhí beweging, in de Arabische woestijn visioenen van de komst van de Beloofde. Zijn inzichten werden door vele Shi'ieten als ketterij bestempeld. Na zijn dood werd de beweging door Sayyid Kázim ibn Qásim Rashtí (gestorven in 1843) verder geleid. Zij wilden geen afsplitsing van de Shi'ieten veroorzaken, maar dat gebeurde buiten hun wil toch. Sayyid Kázim zond zijn discipel Mullá Husayn Bushrú'í uit, die in 1844, in Shiraz, Irán, de Voorloper van de Beloofde Tijd ontmoette, Mirzá Mohammed 'Alí, de Báb (betekent 'Poort'). In 1863 verkondigde Mirzá Husayn 'Alí, Bahá'u'lláh (betekent 'de Glorie van God', of 'Heerlijkheid des Heren'), in Baghdad dat Hij de Beloofde was Die door de Profeten van alle godsdiensten was voorzegd.

1844 is het jaar van het ontstaan van het Bahá'í tijdperk, een tijdvak dat de aanvang aangeeft van de meest glorieuze episode in de grootste cyclus, die de geestelijke geschiedenis van de mensheid ooit te zien heeft gegeven.

Het tijdperk 1844 tot 1853, het beleid van de Báb

De 23e mei 1844 luidt de woeligste periode in van het heroïsche tijdvak van de Bahá'í Openbaring. De ontmoeting van de Báb, een vierentwintig jarige koopman in Shíráz, Perzië, en de jonge Mullá Husayn, leek zuiver toevallig. Mullá Husayn: "Ik zat daar als betoverd door Zijn woorden, de tijd vergetend ... Deze Openbaring, die zo plotseling en onstuimig op mij afkwam, kwam als een donderslag die mij voor enige tijd leek te hebben verlamd. Ik was verblind door deze schitterende pracht en overstelpt door de verpletterende kracht ... het leek of ik het hele mensdom kon toeroepen: 'Ontwaakt, want voorwaar het morgenlicht is doorbroken! Staat op, want Zijn Zaak is geopenbaard! De poort tot Zijn genade staat wijd open, want Hij Die u beloofd werd, is gekomen!'"

De Báb verkondigde dat Hij de Voorloper was van Eén Die groter was dan Hij, van "Hem Dien God zal openbaren". Dat Hij de Poort was, Die de voorbije adamietische cyclus af zou sluiten en de deur zou openen tot een nieuwe universele cyclus in de voortdurende ontwikkeling van de mensheid.

Later, voor de verzamelde geestelijke hoogwaardigheidsbekleders van Tabríz antwoordde Hij op de vraag die Hem gesteld was: "Ik ben, Ik ben, Ik ben de Beloofde! Ik ben Degeen, Wiens naam u duizend jaar lang hebt aangeroepen, bij het noemen van Wiens naam gij zijt opgestaan, Wiens komst gij zo lang hebt verbeid, en het uur van Wiens Openbaring gij God hebt gebeden te bespoedigen ..."

De Báb werd voor ketter uitgemaakt en ter dood veroordeeld. De Sjah van Perzië gelastte dat Hij naar Teheran moest worden gebracht. De periode van de Báb's verbanning duurde drie jaar, waarin Hij naar verschillende gevangenissen werd gebracht. Op 9 juli 1850 werd de Báb in Tabríz in het openbaar terechtgesteld.

Men heeft de Báb vergeleken met Johannes de Doper, toch is Zijn rang niet slechts die van Heraut of Voorloper, de Báb is zelf een Manifestatie van God, de Stichter van een onafhankelijke godsdienst (het Bábisme), hoe kort die ook mocht bestaan. De bahá'ís beschouwen de Báb en Bahá'u'lláh beiden als de Stichters van hun geloof.

Momenteel rusten Zijn stoffelijke resten in de graftombe in Haifa, Israël, al waar het Wereldcentrum van het Bahá'í geloof is gevestigd.

Het tijdperk 1853 tot 1892, het beleid van Bahá'u'lláh

Op 3 mei 1863 verklaarde Mirzá Husayn 'Alí, Bahá'u'lláh (betekent 'de Glorie van God'), in Baghdad dat Hij Degeen was Die door de Profeten van alle godsdiensten was voorzegd, en door de Báb "Hem, Dien God zal openbaren" was genoemd.

In een brief aan de sjah van Perzië schreef Hij: "O koning! Ik was slechts een mens gelijk anderen, slapend op Mijn legerstede, en zie, de ademtocht van de Alglorierijke streek over Mij en maakte Mij bekend met al wat geweest is. Deze kennis is niet van Mij, doch van Eén die Almachtig en Alwetend is. Hij gebood Mij Mijn stem tussen hemel en aarde te verheffen en hierdoor geschiedde Mij hetgeen de tranen van ieder begrijpend mens deed vloeien..."

"Het Boek van God ligt wijd open en Zijn Woord roept de mensheid tot Hem op. Niet meer dan een handvol is evenwel bereid gevonden Zijn Zaak aan te hangen of tot werktuig te worden voor de verspreiding ervan ..."

Uit de Bloemlezing uit de Geschriften van Bahá'u'lláh, blz. 111

Bahá'u'lláh verkondigt, dat de Dag van God is aangebroken, dat de nieuwe universele cyclus in de ontwikkeling van de mensheid is begonnen en dat alles vernieuwd zal worden.

"Waarlijk Ik zeg u, dit is de Dag waarin de mensheid het Aangezicht kan aanschouwen en de stem kan horen van de Beloofde. De roep van God is aangeheven en het licht van Zijn aanschijn verlicht de mensen..."
Uit de Bloemlezing uit de Geschriften van Bahá'u'lláh, blz. 11

"Dit is de Dag waarin de Oceaan van Gods genade aan de mensen is geopenbaard, de Dag waarin de Dagster van Zijn goedertierenheid haar glans over hen uitspreidt, de Dag waarin de wolken van Zijn overvloedige genade de gehele mensheid overschaduwen..."
Uit de Bloemlezing uit de Geschriften van Bahá'u'lláh, blz. 9

"Dit is de Dag waarin Gods verhevenste gunsten over de mensen zijn uitgestort; de Dag waarin Zijn machtigste genade al het geschapene heeft doordrongen..."
Uit de Bloemlezing uit de Geschriften van Bahá'u'lláh, blz. 9

Zijn verbanning door de Sjah van Perzië en later de Sultan van Turkije voerde Hem naar Baghdad, Constantinopel, Adrianopel en uiteindelijk naar 'Akká in het toenmalige Palestina, waar Zijn graftombe zich bevindt. Het Wereldcentrum van het Bahá'í-geloof is gevestigd op de berg Karmel, Haifa, Israël.

Bahá'u'lláh stierf op 29 mei 1892, vijfenzeventig jaar oud, na een koortsaanval in Bahji bij 'Akká, Zijn laatste gevangenis ...

.

 Home

Bahá'i-geloof

Plaatsen

Actualiteiten

Agenda

Contact

Persberichten

Copyright: baha'is in Twente | Website-ontwerp en webmaster: Rick Poolman